Journalistiek

1 Situatieschets
2 Het bronnengeheim
3 Casus: Paul Jambers
4 Casus: Hugo Claus

1 Situatieschets

Een beroep waar het beroepsgeheim eveneens kenmerkend is, is het domein van de journalistiek. Hier valt het beroepsgeheim grotendeels onder de noemer van het bronnengeheim, waarbij men wordt geacht om de bron van de informatie zodanig te beschermen en te respecteren, zodat deze niet publiekelijk wordt gemaakt, en dit dan voornamelijk met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van deze bron, alsook mogelijke represailles jegens hem te vermijden.

Dit wordt uitdrukkelijk vermeldt in de Verklaring der plichten en rechten van de journalist, welke werd aanvaard te München op 24 en 25 november 1971 door de afgevaardigden van de journalistenvakbonden van de (toen nog) zes lidstaten van de Europese Gemeenschap en vervolgens aanvaard door de Internationale Federatie van Journalisten op het congres van Istanbul in 1972, zijnde:

7. Het beroepsgeheim bewaren en de herkomst van de bekomen vertrouwelijke informaties niet verspreiden.

Ik wens wel op te merken en te benadrukken dat de grens tussen het beroepsgeheim en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (wet op de privacy) in vele gevallen bijzonder dun is, en moeilijk te onderscheiden valt. Beide termen zijn namelijk sterk verbonden aan elkaar, ondersteunen elkaar en vloeien heel frequent over in elkaar.

Men moet er op toezien dat er niet te veel informatie wordt verspreidt. Maar aan de andere kant dan ook weer niet te weinig om een degelijke en vooral correcte verslaggeving te kunnen brengen van een bepaald feit. Het is ook zo dat het publiceren van soms te vertrouwelijke informatie, door het soms te verregaand en te specifiek te gaan graven in bepaalde zaken, kan in sommige gevallen leiden tot de bekendmaking van informatie die geen betrekking meer heeft tot het eigenlijke onderwerp. Dit kan dan mogelijks resulteren tot een schending van het beroepsgeheim, wat strafbaar is, en waar dus eventuele sancties kunnen uit voortvloeien, zoals lager aangeduid in artikel 458.

Waar ligt namelijk de grens tot hoever men gegevens publiek mag maken? Welke privé-gegevens kunnen en mogen worden gepubliceerd? Welke financiële en economische cijfers, gegevens, statistieken, enz. mag de journalist publiek openbaar maken? En vooral ... welke impact kan de vrijgegeven informatie hebben op de betrokkenen?

Het verschil hierin is niet altijd even duidelijk afgelijnd. De wet maakt vermelding van volgende twee artikels (458 en 458bis) die als basis dienen voor het beroepsgeheim, maar die echter vaag blijven inzake het materiaal dat al dan niet mag worden verspreid.

Art. 458. Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.

Ook op te merken, is dat indien de journalist informatie verkrijgt waardoor het leven van de betrokken persoon of van derden mogelijk in gevaar is, de verslaggever deze informatie verplicht dient bekend te maken aan de bevoegde instanties.
Dit staat namelijk omschreven in onderstaand artikel uit het strafwetboek, zijnde artikel 458bis. Indien hij dit niet zou doen, riskeert deze zelf beschuldigd te worden van eventuele medeplichtigheid aan bepaalde feiten.

Art. 458bis. Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en die hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425 en 426, gepleegd op een minderjarige kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, op voorwaarde dat hij het slachtoffer heeft onderzocht of door het slachtoffer in vertrouwen werd genomen, er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de psychische of fysieke integriteit van de betrokkene en hij deze integriteit zelf of met hulp van anderen niet kan beschermen.

Aan de hand van bepaalde voorbeelden die we hierna zullen behandelen, zullen wij het delicate probleem rond dit onderwerp op het domein van de journalistiek, verder trachten aan te kaarten en aan te tonen.
(Zie ook het voorbeeld omtrent Miss Belgian Beauty onder de rubriek "Infiltration", punt 4 “Cas: Kirsten Mertes”)

2 Het bronnengeheim

Een journalist kan soms informatie inwinnen waarvan de bron zich niet wil bekend maken. Het probleem is dan dat de journalist wel alleen moet instaan voor de verdediging van zijn reportage. Zeker als de informatie afkomstig is van een groot orgaan, zoals een overheidsdienst, kan een kleine gebeurtenis een immens gevolg hebben. Dan moet de journalist wel erg sterk in zijn schoenen staan.

Het bronnengeheim is dan ook één van de voornaamste rechten van de journalist. Dit om de pers in staat te stellen zijn rol als “waakhond” (en eventueel als regulator) te spelen en het publiek in te lichten over kwesties van algemeen belang, en deze indien nodig toe te lichten. Het maakt aan de basis ook deel uit van het algemeen recht op de vrije meningsuiting en de vrijheid van de pers. Vrijheden die namelijk gewaarborgd zijn in (grond)wets- en verdragsbepalingen. Voorzichtigheid dient echter altijd in acht genomen te worden. De wetgeving maakt het de journalist wel mogelijk de taak van “waakhond” op zich te nemen, maar ze beschermt enkel de bron en dus niet de journalist in kwestie. Die wordt nog steeds geacht de normale onderzoeksactiviteiten te verrichten om zijn informatie in te winnen. Dit houdt onder meer in dat elke bron gewantrouwd dient te worden. Bovendien blijkt dat, indien er een rechtszaak komt, de rechter eerst en vooral kijkt of het recht op wederwoord wel gerespecteerd werd ...

Het bronnengeheim is dus geen excuus om een verhaal niet volledig uit te spitten.
In tegendeel. Journalisten kunnen nog steeds veroordeeld worden voor de schade die ze eventueel kunnen toebrengen. Deze moet zich dus nog meer informeren om zich te kunnen verdedigen wanneer het er effectief op aankomt. Waarom geeft de bron deze informatie vrij? Is er een tweede, onafhankelijke bron die het verhaal kan bevestigen? Waren er andere getuigen? Wie schreef bepaalde verslagen? Is dit wel het volledige verhaal?
Een verhaal is namelijk nooit volledig ... Maar hoe complexer de situatie, hoe belangrijker de keuze tussen wat men wel en wat men niet kan opnemen in een artikel. De invalshoek van een complex verhaal wordt dan ook uiteindelijk het eigenlijke verhaal!
En wat als de invalshoek van de bron niet de juiste is? Als men de bron ter verantwoording zou kunnen roepen, dan kan die zelf het dossier verdedigen.

Men kan dus wel besluiten dat hoewel het bronnengeheim een zeer belangrijk onderdeel uitmaakt van de onderzoekstechnieken van de journalist, vereist het gebruiken en het interpreteren hiervan een ervaren, maar bovendien uiterst nuchtere hand.
Anders kan hetgeen de auteur zegt, zich wel eens tegen zichzelf keren ...

3 Casus: Paul Jambers

In de jaren ’90 zorgde journalist Paul Jambers voor een ware golf van sensatie in televisiekijkend Vlaanderen met zijn spraakmakende documentaire Jambers. Dit programma had als thema het presenteren van het leven en de dagelijkse gewoontes en routines van excentrieke Vlamingen die er een alternatieve levenswijze op nahielden. Deze reportages bevatten meestal een scherpe en extreme ondertoon, waarbij deze personen (al dan niet met hun volledige toestemming) in een eerder negatief, grotesk, naïef en soms immoreel daglicht werden geplaatst. Mensen met bijvoorbeeld bizarre verzamelwoedes, beweringen van bijzondere reïncarnaties of zelfs ongewone seksuele neigingen waren telkens de spil waarrond het programma draaide, wat telkens opnieuw voor sensationele televisie zorgde, gepaard gaande met een bom aan kijklustigen en een explosie aan kijkcijfers.

Zijn programma Jambers heeft vaak de kritiek gekregen dat het te veel op sensatiezucht dreef en bepaalde excentrieke mensen opvoerde als freaks of gekken. Dit was echter tegelijkertijd dezelfde reden waarom het zoveel kijkers trok in die jaren. Ook zijn gewoonte om erg schaamteloos in te focussen op het leed of de eigenaardigheden van de geportretteerde mensen is vaak onderdeel van kritiek geweest. Dit vormde dan ook de aanleiding tot de vraag of deze reportages wel ethisch verantwoord waren, aangezien er eigenlijk nooit sprake was van verslaggeving in het kader van de veiligheid en de bescherming van de maatschappij. Ging het hier dan eigenlijk alleen maar om het brengen van sensatie? Indien dit effectief zo zou zijn, kan men zich bij deze vorm van journalistiek terecht de vraag stellen of hier sprake is van eventuele schending van het beroepsgeheim.

Het is inderdaad zo dat, door deze reportages, de algemene bevolking zich een eerder negatief imago vormde rond de mensen die in beeld kwamen. Men zal niet kunnen ontkennen dat door deze verslaggevingen, het leven van deze personen danig wijzigde, waardoor zij in vele gevallen (weliswaar in wisselende mate) hinder hebben ondervonden in zowel hun dagelijks privé-leven alsook hun professioneel leven.

Zich hierop baserend, kan men zich terecht de vraag stellen in hoeverre de reportagemaker is gegaan in het verslaan van zijn berichtgeving? Werden de activiteiten van en de gesprekken met de betrokken personen zelf telkens waarheidsgetrouw weergegeven (met hun volledige toestemming), of werd de montage opzettelijk samengesteld zodat het sensationele van het besproken onderwerp nog explicieter voor de lens werd gebracht? Heeft de reportagemaker niet gebruik gemaakt van voorbereidende en/of tussentijdse gesprekken die hij had met de personen in kwestie, en dit terwijl deze hem in vertrouwen namen, waardoor bepaalde informatie in de reportage werd verwerkt, waardoor deze personen nog extremer in beeld kwamen dan dit in de realiteit effectief was?

Moet de reportagemaker er namelijk niet op toezien dat hij niet te veel (overbodige) informatie verschaft aan het publiek? Want het publiceren van soms te vertrouwelijke informatie, of te diepgaande en te specifieke vertrouwelijke gegevens, kan in vele gevallen leiden tot een zekere bekendmaking van gevoelige en ongewenste informatie, welke mogelijk geen betrekking meer heeft tot het eigenlijke onderwerp, en waardoor méér dan gewenst wordt bekendgemaakt aan de maatschappij.

Is in de eerste plaats de rol van de journalist niet het verzamelen van feiten over gebeurtenissen van algemeen belang, en dit naar waarheidsgetrouw? Dit is hier dan ook zeer bedenkelijk de vraag ...

Men kan dus in dit geval terecht de vraag omkeren: “Paul Jambers, wat drijft hem?”

3 Casus: Hugo Claus

Hugo Claus, één van onze meest geliefde maar helaas betreurde Vlaamse auteurs, werd geboren op 5 april 1929 te Brugge. Één van zijn meesterwerken is ontegensprekelijk Het verdriet van België van 1983. Hij overleed op 78-jarige leeftijd op 19 maart 2008 te Antwerpen, en dit nadat hij besloot om een einde aan zijn leven te maken, en dit door het uitvoeren van euthanasie.

De schrijver leed namelijk aan de ziekte van Alzheimer, en dit in een al ver gevorderd stadium.

Een van de dokters die betrokken was bij de euthanasie van Hugo Claus, was dr. Marc Van Hoey. Deze verbrak zijn stilzwijgen door hierover te spreken in het weekblad Dag Allemaal, en dit tot groot ongenoegen van Veerle De Wit, weduwe van Hugo Claus. Het bewuste interview verscheen op 1 april 2008, en dit dan ook nog eens onder de zeer dubieuze kop: Hugo verheugde zich enorm op al deze heisa.

Veerle De Wit dreigde ermee om gerechtelijke stappen te ondernemen tegen de dokter in kwestie omdat hij door dit bewuste interview het beroepsgeheim zou hebben geschonden.

Maar is dit ook wel zo? Heeft dr. Van Hoey wel degelijk het beroepsgeheim geschonden en zijn eed van Hippocrates verbroken? Of is de auteur van het bewuste stuk schuldig aan verkeerde interpretatie, of – nog erger – was hij er gewoon op uit om sensatie neer te pennen?

Dr. Van Hoey, LEIF-arts (LevensEinde Informatie Forum) en tevens ondervoorzitter van de vzw Recht op Waardig Sterven, was de derde arts die Hugo Claus consulteerde enkele weken voor zijn dood. Hij adviseerde de schrijver in zijn hoedanigheid van LEIF-arts over euthanasie.

De journalist van Dag Allemaal (Guy Van Gestel) nam na de euthanasiering van Hugo Claus contact op met de betrokken arts. Het aan te kaarten onderwerp was uiteraard het onderwerp “euthanasie”, en niet specifiek het geval Hugo Claus, maar dus voornamelijk euthanasie als keuze om uit het leven te stappen.

Dr. Van Hoey vertelde echter over het gesprek dat hij had met Hugo Claus, waarbij hij de keuze van de schrijver om te kiezen voor de dood verdedigde.

In het bewuste artikel vertelt hij over het gesprek met Claus en verdedigt hij diens keuze. “Ik sprak ruim een uur met hem, vooral over zijn euthanasie maar ook over literatuur”, vertelt hij. Verder in het artikel: “Zelf vermoedde ik dat hij zou wachten tot zijn verjaardag begin april.” en dat Hugo Claus hem in vertrouwen nam en vertelde: “Ik ben volop aan het aftakelen en ik wil er nu uit”. Ook beweerde de dokter dat de band van de schrijver met zijn persoonlijke huisarts “niet zo vertrouwelijk was”, en dat hij er daarom “buiten werd gehouden”.

Volgens Veerle De Wit schendde de arts hierdoor zijn beroepsgeheim en dreigde ze met een klacht. “Ik begrijp haar woede”, zegt dr. Van Hoey in een reactie in de kranten. “Ik ben misleid door Dag Allemaal. Sommige uitspraken zijn compleet verzonnen. Zo heb ik nooit gezegd dat Claus geen vertrouwelijke relatie had met zijn huisarts en ik heb nooit beweerd dat Claus zich verheugde op de heisa. Ik heb de journalist niets verteld van wat er tijdens de consultatie met Claus gezegd is.”.

Dr. Van Hoey kondigde dan ook aan een klacht te zullen indienen bij de Raad voor de Journalistiek en overwoog een burgerlijke procedure.

Volgens Ilse Beyers, hoofdredactrice van Dag Allemaal, werd alles wat in het bewuste artikel staat, effectief door dokter Van Hoey “on the record” gezegd. Ze voegt er ook aan toe dat aangezien Veerle De Wit hem wenste aan te klagen wegens schending van het beroepsgeheim, dit dan ook bevestigt dat het artikel strookt met de werkelijkheid. Erger nog, volgens Beyers heeft de dokter inderdaad het beroepsgeheim geschonden.

De hoofdredactrice stelt dat hij blijkbaar zelf zou hebben voorgesteld om over de euthanasie van Hugo Claus te praten. En aangezien er enige tijdsdruk was, zou hij daarom beweerd hebben dat hij het interview niet hoefde na te lezen. Ook na de publicatie kwam hij pas met bezwaren nadat Veerle De Wit met een klacht had gedreigd.

De arts stelde op zijn beurt dat hij echter misleid werd door het weekblad. Het interview werd de arts in feite voorgesteld als een reportage over patiënten die euthanasie hebben aangevraagd. De reporter, Guy Van Gestel, had een interview gehad met een patiënte die de arts had aangedragen, maar liet dat volledig weg. De dokter wilde echter op een correcte manier informatie geven over wat mag binnen het wettelijke kader, maar stelde dat het (jammer genoeg) in het artikel leek alsof hij enkel over de situatie van Hugo Claus heeft gesproken.

Dr. Van Hoey beseft dat zijn reputatie als arts hier op het spel staat. “Ik kan hier problemen mee krijgen. En ik vind het ook jammer voor mijn collega's bij de vzw Recht op Waardig Sterven, de LEIF-artsen, en zeker ook voor de familie Claus.

Ik laat het hier niet bij en dien een klacht in bij de Raad voor de Journalistiek. Ook overweeg ik een burgerlijke procedure.”. Dit gezegd zijnde werd dit dan ook op 25 april 2008 geconcretiseerd nabij de Raad voor de Journalistiek.

Nadat de klacht werd ingediend door dr. Van Hoey, kwam de Raad voor de Journalistiek op 11 december 2008 tot een uitspraak. Zij stelde het volgende:

Uit de vergelijking tussen de bandopname van het interview en de gepubliceerde tekst,blijkt dat het artikel in grote mate overeenstemt met de uitspraken die klager heeft gedaan.

Klager heeft tijdens het interview herhaaldelijk naar Hugo Claus verwezen en deze uitspraken zijn door de journalist ook correct weergegeven. Weliswaar zijn de uitspraken van klager samengevat en ingekort, maar dit behoort tot de gebruikelijke journalistieke praktijk.

Eén uitgeschreven antwoord komt evenwel niet overeen met de uitspraken van klager. Op de vraag of wat Claus gedaan heeft, misschien de ultieme provocatie was, antwoordt klager op de band: ‘Dat weet ik niet, zo goed ken ik Claus niet. Ik heb hem alleen als patiënt gezien. Nu op dit moment kon je eigenlijk niet meer spreken van een provocatief gebeuren, hoor. (enz.)’, terwijl dit antwoord in Dag Allemaal wordt weergegeven als: ‘Het idee om zelf ook voor euthanasie te kiezen, rijpte bij hem misschien als een soort ultieme provocatie naar de katholieke kerk. Dat provocatieve was weliswaar verdwenen toen ik hem zag.’ Deze passage wordt in een ondertitel bij een foto van Claus bovendien foutief samengevat als ‘Hugo vond het heerlijk: euthanasie als ultieme provocatie naar de katholieke kerk’, wat manifest in strijd is met de verklaringen van klager. Ook het gebruik van de voornaam ‘Hugo’ in de titel van het artikel en in verscheidene onderschriften bij foto’s en tussentitels stemt niet overeen met de bewoordingen van klager, die steeds over ‘Claus’ gesproken heeft. Dit suggereert een familiaire sfeer tussen klager en Hugo Claus, waarvan in het interview geen sprake was.

Gelet op de gevoelige aard van het onderwerp, was het meer dan ooit aangewezen om de uitspraken van klager zorgvuldig weer te geven, wat zeker in de aangemerkte passage en in de titel en onderschriften niet is gebeurd.

Men kan hieruit besluiten dat het dus niet altijd evident is om de lijn te trekken wat gevoelige informatie inhoudt, wat men kan en mag vertellen.

Maar dat ook journalisten vaak worden geconfronteerd met rechtszaken (al dan niet gegrond) in verband met schending van het beroepsgeheim, en dit door de manier waarop de verslaggeving wordt neergezet, de opbouw ervan, de weggelaten maar ook de niet-weggelaten citaten, enz.